Vader hield van jodelmuziek, Duitse orkesten en populair
klassiek. Als hij zich een exces veroorloofde, draaide hij het volume hoger bij
Kalinka van Ivan Rebroff.
Moeder dweepte met opera, koormuziek en Requiems. Van Mozart tot Händel. Hoe
morbider hoe liever. In een vrolijke bui liet ze haar huistaken begeleiden onder
het samen zingen met Ol’ Man River door Mario Lanza en operettemelodieën
van Anneliese Rothenberger.
Mijn ouders hadden een muzikaal raakvlak: samen waren ze lid van de Robert
Stolz-club.
Zus had een zwak voor de typische meisjesidolen van toen. Van David Cassidy tot
Art Sullivan.
Voor het contrast zorgden Alice Cooper en Golden Earring. Hun posters haalden ze
heel secuur uit het tijdschrift Popfoto dat ze maandelijks kocht. David Cassidy
werd vrij snel omgeruild voor Neil Diamond, Art Sullivan moest plaats maken voor
Julio Iglesias. Alice Cooper en The Golden Earring overleefden langer. Maar
uiteindelijk koos ze toch voor de zachte sector: van Barbra Streisand tot
panfluitspeler Gheorghe Zamfir.
Ik vond alles mooi. Als het maar uit dat magische apparaat kwam. Het had vanwege
zijn indrukwekkende afmetingen een prominente plaats in de huiskamer. Een klein
groen lampje gaf aan hoe lang het moest opwarmen en daarna spuwde het een
allegaartje van muziekstijlen uit: de radio.
Kort daarna ontdekte ik de pick-up in huis en de platencollectie van mijn
ouders. Het was mijn eerste kennismaking met filmmuziek via Zorba The Greek
van Mikis Theodorakis en Edelweiss uit The Sound of Music. En met
Catootje van Wim Sonneveld, dat voor zo’n klein plaatje eeuwig leek te duren
en waar Sonneveld bij nader inzien volstrekt niets mee te maken had, hoewel zijn
naam er voor eeuwig aan verbonden blijft. De originele uitvoerders waren De
Solisten uit de Wim Sonneveld Show. Mijn ouders bleken onvoorwaardelijke fan
van de Nederlandse conferencier. Wat ik niet voor mogelijk achtte, bleek toch
waar: mijn ouders hadden twee popgetinte hitsingles in hun collectie: Puppet
On A String van Sandie Shaw, de winnares van het Songfestival in 1967 en
Wheels, een instrumentaaltje van The String-A-Longs van een belabberde
opnamekwaliteit.
In deze smeltkroes van muzikale culturen ben ik opgegroeid. Het waren andere
tijden: er was één radiotoestel in huis. Hippe plaatjes werden afgewisseld met
instrumentale melodieën, lichtklassiek met chansons. Berichten voor de
duivenliefhebbers met de taalwenken van Dr. Mark Galle. De opgehaalde
schotbalken. De gymnastiekles met live-pianobegeleiding. Ook dat vond ik
allemaal even fascinerend.
Vanaf mijn kindertijd wakkerde de radio mijn fantasie aan. Ik zag in alle
vroegte de presentator van dienst sit-ups doen en de studioklok in de gaten
houden. Ik stak de taaltip van Mark Galle op zak voor ik naar school vertrok en
was er getuige van hoe hij het Engelse woord after shave verving door het veel
mooiere scheertoetje.
Omdat radio toen nog werd gedeeld door alle leden van het gezin, namen we
kennis van de smaak en interesses van onze ouders en floot ik op weg naar school
net zo goed Circus Renz als Beestjes van Ronnie & de Ronnies. Er werd
niet gedacht in doelpublieken.
Toen ik zelf radio mocht maken, hield ik dat altijd in het achterhoofd: radio is
een ontdekkingstocht voor een breed publiek. Prikkel je luisteraar, daag hem
uit, amuseer hem, irriteer hem af en toe als het moet, maar hou hem wakend,
alert. Laat hem vooral niet onverschillig. Laat hem horen waarvoor je staat. En
hou rekening met je publiek. Durf ook te luisteren naar jouw publiek.
En dat ik is nu net waar ik me al jaren zorgen over maak. Wordt er wel voldoende
naar dat publiek geluisterd? In brievenrubrieken van kranten en populaire bladen
lees je met een zekere regelmaat telkens dezelfde klacht: Vlaamse muziek,
schlagers, meezingers, levensliedjes, smartlappen – of hoe je het ook noemen wil
– zijn volslagen taboe geworden. Zélfs op zenders die er vroeger hun publiek mee
verdienden. Maar niet alleen Vlaamse populaire muziek is nauwelijks nog te
horen. Zowat de hele platenkast van mijn ouders heb ik in géén jaren nog op de
een of andere zender gehoord. Geen Ivan Rebroff, geen Mario Lanza, geen
Anneliese Rothenberger. Geen Zorba The Greek of The Sound Of Music meer. Ook al
wordt er een TV programma rond geconcipieerd in de lentedagen van 2009. Geen
orkestmuziek of een Jodelplaatje. Geen Robert Stolz. Zelfs de idolen van mijn
zus zoek je haast tevergeefs: ook Neil Diamond, Barbra Streisand of Julio
Iglesias worden maar met mondjesmaat in een programma ingepast. Mijn zus is nog
niet zo lang de vijftig voorbij, maar die doelgroep komt nooit meer ter sprake
als het over de profilering van radionetten gaat. Mijn ouders zijn ranke
tachtigers en die weten helemaal niet meer waar ze terecht kunnen, hoewel
precies die mensen dankbare en trouwe radioluisteraars zouden kunnen zijn.
Er wordt gegoocheld met marktstudies en marketingonderzoeken. Maar eens de 44
jaar voorbij, lijkt geen enkele radio nog optimaal afgestemd op zijn luisteraar.
Eens de zestig gepasseerd, kan je het helemaal vergeten, tenzij je dweepte met
de Rolling Stones, Beatles en Bob Dylan.
Maar niet iedereen nam kennis van die popcultuur. Zelfs Abba of The Bee Gees
zijn aan mijn ouders voorbij gegaan. Hebben zij daarom geen recht meer op hun
muziek en gedachtegoed?
Vooral de Vlaamse populaire zangers lijken al jaren de kop van jut.
Het gaat best goed met de Vlaamse muziekcultuur en er is een ongehoorde
diversiteit en kwaliteit, maar in dat muzikale landschap is door mediamakers een
enorme krater geslagen. Alles wat een beetje volks, gewoon simpel, pretentieloos
is, mag al jaren niet meer.
De liedjes in eigen taal worden het meest geviseerd.
Pogingen om het tij te doen keren, in gang gezet door zwaargewichten als Geert
Bourgeois en Margriet Hermans, lijken weinig tot niets uit te halen. Begin 2009
werden er nieuwe beloftes gemaakt om de quota voor Nederlandstalige muziek flink
op te trekken, maar die zelf opgelegde wetten kunnen zo worden omzeild dat een
bepaald publiek toch in de kou zal blijven staan.
Zelf sta ik al een aantal jaren aan de zijlijn. Ik keerde het radiovak de rug
toe omdat ik niet meer trots kon zijn op wat ik deed. Omdat ik niet meer het
gevoel had dat ik het publiek op een eerlijk manier mocht bedienen.
Vanuit die positie probeer ik in dit boek op een vrolijke, oprechte, nuchtere,
soms kritische manier aan te tonen dat het Vlaamse populaire lied en heel veel
andere populaire muziekgenres al een tijd onheus behandeld worden. Uiteraard
lardeer ik dit met de nodige radio-anekdotes uit mijn tijd bij Radio 2, Radio
Donna, zelfs mijn kortere periode bij VTM en 4FM en de vijf jaren dat ik voor de
Nederlandse radio 2 een programma mocht maken. Ik doe geen onthullingen, leg
geen interne keuken bloot. Ik analyseer en ik constateer. Het zijn overwegend
conclusies die elke aandachtige radioluisteraar zelf maken kan.
(Passage uit de inleiding van “Rozen of Distels voor Sandra” - verschijnt bij
vrijdag in januari/februari 2010 - copyright Michel Follet.)